Gelijke onderwijskansen in Brussel?
Brecht Arnaert 24-03-2008
Twee Brusselse CD&V-volksvertegenwoordigers Brigitte De Pauw (Brussels Parlement) en Paul Delva (Vlaams Parlement) doen in de stadskrant Brussel Deze Week van 12 maart een oproep om het GOK-decreet te evalueren. Zij vinden dat het decreet op maat van Vlaanderen gemaakt is, waar het gunstige effecten kan hebben, maar dat het averechts werkt voor Brussel. Hoezo?
Het GOK-decreet werd in 2002 ingevoerd met de bedoeling aan kansengroepen Gelijke Onderwijs Kansen te geven. Voornaamste knelpunt hierbij was de inschrijvingspolitiek. Tot dan toe hanteerde elke school zowat haar eigen inschrijvingssysteem. Sommige scholen maakten daar misbruik van om sterke leerlingen te selecteren en zwakkere leerlingen, vaak van vreemde origine, een zwakke sociale achtergrond of een andere thuistaal, buiten de schoolpoorten te houden. Dit resulteerde soms in “witte scholen”.
De doelstellingen van het GOK waren dus nobel: door quota in te voeren voor kansengroepen kon iedereen gelijkmatig aan de bak komen. Ook het inschrijvingsprincipe zelf werd veranderd. Daar waar het al dan niet inschrijven vaak op enige willekeur berustte, worden de beschikbare plaatsen nu bekend gemaakt, en geldt het principe: “eerst komt, eerst maalt”. Gedaan dus met inschrijvingen via via: iedereen wacht zijn beurt af. Vandaar de lange rijen wachtende ouders aan de schoolpoorten.
Volgens beide parlementsleden is dit een eerlijk systeem, maar zorgt het ook voor enkele bijwerkingen, die vooral in Brussel ernstig zijn. Het GOK-decreet is ontworpen voor een overwegend eentalige ruimte (Vl), terwijl Brussel een overvloed aan vreemde talen kent. Indien een anderstalige achtergrond het criterium is om als GOK-leerling beschouwd te worden, dan zijn de gewone Nederlandstalige kinderen eigenlijk diegene waarvan de gelijke onderwijskansen onder druk komen te staan.
Er is wel 45 procent van de plaatsen gereserveerd voor Nederlandstaligen, maar de verklaring Nederlandstalige te zijn gebeurt op eer, wat niet waterdicht is, en een groot stuk van die 45 procent wordt ook al ingevuld door de broertjes en zusjes, voor wie een voorrangsbeleid geldt. Zo komt het dat de plaatsen voor Nederlandstalige kinderen zeer beperkt zijn en vele Nederlandstalige ouders hun kind niet meer kunnen inschrijven in een school naar keuze, wat een schending van het grondwettelijk recht van de vrijheid van onderwijs inhoudt.
De parlementsleden stellen onder andere voor de voorrangsgrens van 45 % op te trekken of het inbouwen van een extra voorrangsgroep van kinderen die al in Nederlandstalige voorschoolse opvang hebben gezeten. Ook moeten meer Nederlandstalige kinderen uit de Rand aangetrokken worden.
Reacties
Ondertussen reageerde ook Guy Vanhengel. Hij vindt dat er vooral moet gedacht worden in termen van de uitbreiding van de capaciteit van het Brussels onderwijs: de uitbreiding van de bestaande scholen, of de inplanting van nieuwe vestigingen.
Vlaams Belang vindt dan weer dat CD&V nu een bocht van 180 graden neemt. ‘Wanneer het Vlaams Belang in het verleden net hetzelfde verkondigde, werd deze idee weggehoond en als racistisch bestempeld. CD&V fractievoorzitter in de VGC walter Vandenbossche stelde trouwens letterlijk in maart 2006 dat beperkende maatregelen met betrekking tot taal – iets waar de CD&V nu dus zegt voor te pleiten – zullen leiden tot een gesegregeerde Vlaamse samenleving in de hoofdstad. (Collegevoorzitter Vanhengel gebruikte zelfs het woord ‘apartheid’.) Tevens wees die zelfde Walter Vandenbossche er op (januari 2005) dat heel het verhaal van wachtrijen en problemen met het GOK ernstig overroepen is, want dat het slechts geldt voor een zeer kleine minderheid van de Vlaams-Brusselse scholen. Een motie van het Vlaams Belang, waar in oktober 2003 hetzelfde in gevraagd werd als wat de CD&V nu voorstelt, werd door diezelfde CD&V toen… weggestemd. Kortom, de houding van de CD&V nu staat haaks op de houding van de CD&V enkele weken geleden’, aldus VB in een mededeling van 12 maart.
Terug naar
de artikelenlijst.