Onze taal in de renaissance

Iedereen die het geluk heeft gekend om de Gargantua en de Pantagruel van François Rabelais te mogen lezen, kent de passage waarin de jonge Pantagruel kennis maakt met de wereldwijze Panurge, die zijn onmisbare reisgezel wordt. Op de vraag wie hij is, waar hij vandaan komt, wat hij zoekt en waar hij heengaat, antwoordt Panurge in tien echte talen en een paar talen van eigen vinding.
Heere, ic en spreke anders gheen taele dan kersten taele, my dunckt noctans, al en seg ic u niet een word, mynen noot verclaert ghenouch wat ic beghere: gheeft my uyt bermherticheyt yet, waervan ic ghevoet magh zyn.
Zo luidt een van de antwoorden in een nog bijzonder goed verstaanbaar Vlaams. En de pointe van de hele Gargantua/Pantagruel komt misschien ook wel uit het Vlaams. Trinc geeft het orakel van de Dive Bouteille (de goddelijke fles) Pantagruel op het einde mee. Specialisten van Rabelais twijfelen er niet aan dat het woord Trinc uit het Duits komt, maar zou het niet evengoed uit het Vlaams kunnen zijn.
Franse filologen hebben lange tijd een bittere strijd geleverd over de vraag of het woord liripipion dat elders in de Gargantua opduikt van Latijnse of van Vlaamse origine is. Gilles Ménage, een streekgenoot van Rabelais die een kleine eeuw na hem leefde, was er heilig van overtuigd dat het woord door Rabelais was gebrouwen uit de Vlaamse woorden lier en pijpen. Nu is die Ménage niet een echt betrouwbare referentie. Veel tijdgenoten vonden hem een pedant, onuitstaanbaar en lichtelijk ridicuul iemand. Molière heeft hem een eeuw later nog opgevoerd in Les Femmes savantes. Toch hebben andere filologen tot een eind in de negentiende eeuw de etymologie van Ménage overgenomen. Tegenwoordig is er echter niemand meer die voor die uitleg durft op te komen. In de nieuwste uitgave van Rabelais in de Pléiadereeks wordt liripipion vertaald als een kap met een lange staart. Van Vlaamse connecties is er geen sprake meer.
Een tijdgenoot van Rabelais was de Italiaanse schrijver van korte verhalen Pietro Fortini. Dat ook Fortini tijdens zijn omzwervingen een woordje Vlaams had opgestoken blijkt uit zijn verhaal Antonio Angelini en de Vlaamse vrouw. De held van het verhaal wordt tijdens een zakenreis in Venetië gestrikt door een courtisane, de blonde Vlaamse schoonheid Giachena, die hem enkele woorden van haar moedertaal bijbrengt, blijkbaar allemaal uitdrukkingen die te maken hebben met het beroep van de vrouw. Eén zin vooral is Antonio bijgebleven wanneer hij na een lange afwezigheid terugkeert naar zijn vrouw in Siëna: ansi visminere? Die uitnodiging tot het liefdesspel kan ik enkel maar vertalen als een vraag om aan vieze manieren te gaan doen. Het antwoord op de vraag is io (ja) als Antonio er zin in heeft, en nitti sminere (niets vieze manieren) als dat niet het geval is.
Terug in zijn Siëna leert de koopman fier de Vlaamse zinnetjes aan zijn jonge vrouw, die overigens even aantrekkelijk is als Giachena. Uiteraard verzwijgt hij de ware toedracht. Hij maakt zijn vrouw wijs dat ansi visminere niets meer betekent dan heb jij honger? Op zekere dag trekt er een groep Vlaamse pelgrims door Siëna. Ze komen voorbij de winkel van Antonio, waar diens vrouw schaars gekleed op straat zit te borduren. Eén van de pelgrims is een aantrekkelijke, heetgebakerde jongeman. Als hij, verrukt over de uitgestalde charmes, met open mond blijft staan, denkt de Siënese schone dat hij uitgehongerd is en ze wil hem iets aanbieden. Ze herinnert zich het mondvol Vlaams dat haar man haar heeft geleerd. Wanneer de Vlaming haar een eerste keer ansi vismenere hoort zeggen, weet hij niet waar hij het heeft. Maar als de vrouw de uitdrukking tot drie keer toe herhaalt, is hij niet meer in te tomen. Hij laat zijn broek zakken en sleurt de vrouw mee naar binnen om de daad bij het woord te voegen. Het is maar op het nippertje dat de koopmansvrouw weet te ontsnappen aan de opdringerigheid van de pelgrim.
Dat de Vlamingen in het zestiende-eeuwse Siëna geen al te beste reputatie hadden, blijkt uit enkele randopmerkingen van Fortini. Giachena is meer dan enkel maar een lustobject. Als een echte courtisane is ze in staat om urenlang een spitse conversatie op gang te houden. Alles wat ze deed en zegde, straalde verfijning uit, schrijft Fortini, maar hij voegt er boosaardig aan toe dat ze wat dat betreft helemaal anders was dan de doorsnee Vlaming.
Een andere Italiaan, Ludovico Guicciardini, bracht een goed deel van zijn leven door in het Antwerpen van het midden van de zestiende eeuw. Hij schreef er een opmerkelijke Beschrijving van al de Nederlanden. De Vlaamse taal is volgens Guicciardini rijk aan eigen en duidelijke woorden, en uitstekend in staat om alle gevoelens onder woorden te brengen. Ze is wel erg moeilijk om aan te leren, en nog moeilijker om uit te spreken en dat zelfs niet alleen voor vreemdelingen (toen al!). Zo heeft Guicciardini het uit goede bron dat de Vlaamse kinderen meer tijd nodig hebben dan hun Franse, Italiaanse of Engelse leeftijdgenoten, om hun moedertaal onder de knie te krijgen. Misschien is het wel daarom dat ze vandaag zo graag naar het Engels grijpen.
Marc Gevaert
Reacties
Terug naar de artikelenlijst.