Wallonië wantrouwt privaat initiatief
De botsing tussen Vlaamse en Waalse socialisten over de dienstencheques staat symbool voor de verschillende visie van Vlaanderen en Wallonië omtrent de rol van de overheid in de economie. Vlaanderen gelooft in de toegevoegde waarde van het privaat initiatief, en wil uitzendkantoren meer ruimte geven. Wallonië ziet het privaat initiatief nog steeds als bron van alle leed en zweert bij de overheid als behoeder van de welvaart.
Eind november werd de federale regering verlamd door een zoveelste communautaire tweespalt. Ditmaal stonden Frank Vandenbroucke (sp.a) en Laurette Onkelinx (PS) lijnrecht tegenover elkaar. Onderwerp van dispuut: het systeem van dienstencheques.
Eerst een woordje uitleg hoe die dienstencheques werken. Met dienstencheques wil de regering een groot deel van de fiscale en sociale lasten van een aantal klusjes, zoals poetsen, op zich nemen en er zo voor zorgen dat zwartwerk gewit wordt en er 25 000 (witte) banen bijkomen. Een particulier kan een dienstencheque aankopen voor 6,2 euro, waarmee hij een uur klusjesdiensten kan betalen. De federale regering legt per cheque 13,27 euro bij, zodat diegenen die de dienst levert een voldoende opbrengst heeft die hem ook toelaat sociale en fiscale lasten te betalen. Bovendien zijn de dienstencheques vrijgesteld van BTW en kan de particulier het aankoopbedrag ten belope van 30% aftrekken van zijn belastingen. De cheque kost de gebruiker dus maar 4,34 euro.
Vlaams succes, Waals fiasco
Het systeem werd al onder de vorige regering gelanceerd bij wijze van experiment. Het had enkel in Vlaanderen succes. In Vlaanderen volstond het dat er weken van vier uur werden gepresteerd in interimjobs. De uitzendkantoren speelden daar ten volle op in. Niet zo in Wallonië en Brussel, waar neergekeken wordt op “MacDonald-jobs” van enkele uren interim. Het mocht bij hen enkel gaan om jobs voor onbepaalde duur, die minstens halftijds moesten zijn. Daarbij ging de voorkeur uit naar publieke of semipublieke organisaties om diensten te verlenen, zoals OCMW’s, diensten voor familiale hulp, bedrijfjes actief in de gesubsidieerde sociale economie. Gevolg: meer dan 90% van de dienstencheques werden verkocht in Vlaanderen.
Het Vlaamse succes inspireerde Vandenbroucke om, in het kader van de werkgelegenheidsconferentie eerder vorig najaar, de Vlaamse regeling uit te breiden tot heel het land. Hij was ook bereid voortaan alles zelf te betalen (tot dusver betaalden de gewesten de helft van de factuur). Daarop zegden de gewesten niet neen. Herfederalisering dus, met de inmiddels gekende gevolgen. De Vlaamse visie op het systeem van dienstencheques botste met de Waalse visie, in de federale regering vertolkt door Laurette Onkelinx.
Het koste een week federaal topoverleg om hieruit te komen, met een compromis waar federaal de krachtlijnen van het systeem worden vastgelegd, maar de gewesten een zekere vrijheid krijgen om de spelregels te verstrengen indien ze dat wensen. Het nieuwe federale kader is minder soepel dan het vroegere Vlaamse systeem, maar anderzijds wel soepeler dan het vroegere Waalse. Wallonië kan het dus nog verder verstrengen, maar omgekeerd kan Vlaanderen het niet verder versoepelen. Een compromis dus dat er in resulteert dat de Vlaamse dynamiek andermaal wordt geremd door het federaal opdringen van een tegengestelde Waalse visie.
Overheid boven
Het dispuut inzake de dienstencheques staat symbool voor de kloof die er tussen Vlaanderen en Wallonië gaapt inzake visie op werkgelegenheid. Vlaanderen gelooft in de dynamiek van het privaat initiatief, Wallonië wantrouwt dat en houdt vast aan publiek initiatief. Vlaanderen gelooft dat ook tijdelijke jobs, van enkele uren, goed zijn voor “de mensen” en er niet enkel meer vraag is naar voltijdse jobs van onbepaalde duur. Wallonië houdt vast aan de jobs uit het industriële tijdperk: vast en voor het leven of tot aan het brugpensioen. En Wallonië ziet vooral de publieke sector daarvoor garant staan.
De uiteenlopende houding van Vlaanderen en Wallonië tegenover de overheid enerzijds en het particuliere initiatief in de markt anderzijds, laat zich aflezen in tal van macro-economische cijfers (cijfers 2000).
- De particuliere bedrijvensector levert in Vlaanderen meer dan tweederde (67%) van de loontrekkenden, in Wallonië slechts de helft (54%). - In Wallonië hebben de overheidsdiensten een aandeel van 20% in de economie, in Vlaanderen maar 12%.
De overheidssector weegt dus veel zwaarder in Wallonië dan in Vlaanderen, waar de bedrijven veel meer bijdragen tot de welvaart. Dit verschil neemt niet af, maar neemt toe. De Waalse economische groei was in de tweede helft van de jaren 1990 voor nagenoeg een kwart toe te schrijven aan de groei van de publieke sector, in Vlaanderen slechts voor 9%.
De Waalse voorliefde voor de publieke sector zit ingebakken in het loonbeleid. In Wallonië bedraagt de gemiddelde verloning (loonkosten) in overheidsdiensten nagenoeg hetzelfde als bij de bedrijven. In Vlaanderen ligt het gemiddelde ambtenarenloon meer dan 10% onder dat van werknemers in bedrijven. Onderwijzend personeel wordt in Wallonië gemiddeld nagenoeg 14% beter betaald dan een doorsnee-werknemer in een bedrijf, terwijl in Vlaanderen de lonen in onderwijs en ondernemingen nagenoeg gelijk zijn.
Met andere woorden, in Wallonië is het bijzonder aantrekkelijk om voor de overheid te gaan werken: een goed loon, vergelijkbaar met de privé-sector, met de vastheid van betrekking er bovenop. De relatief hoge lonen in de publieke sector bemoeilijken verder de politiek van loonmatiging in de privé-sector, wat duizenden jobs in de privé-sector kost.
Het is het goed recht van Wallonië om te kiezen voor de publieke sector en niet voor de markt. Maar het moet die keuze dan niet opdringen aan Vlaanderen. Net zomin mag het de factuur voor zijn keuze doorschuiven naar Vlaanderen. En dat gebeurt nu: de Waalse keuzes leiden tot mindere groei en op die manier tot meer transfers vanuit Vlaanderen. Laat ons zeggen waar het op staat. Waarom kan Wallonië volharden in het vasthouden aan een achterhaalde visie op het economische gebeuren, met een dominante publieke sector en een arbeidsvoorwaardenbeleid uit een vorig tijdperk? Vlaanderen betaalt toch. Quousque tandem, Di Rupo, abutere patientia nostra?
DE CHEQUE…
DE REGIO… Doel: zwartwerk witten en 25 000 (witte) banen creëren Hoe: regering neemt groot deel van fiscale en sociale lasten van klusjeswerk (poetsen etc… op zich) Prijs: particulier koopt cheque (6,2 euro) en betaalt klusjesman/vrouw. Federale regering legt per cheque 13,27 euro bij. Resultaat: de klusjesman/vrouw heeft voldoende opbrengst om sociale en fiscale lasten te betalen. Particulier kan aankoopbedrag voor 30% aftrekken van belastingen. De cheque kost de gebruiker dus maar 4,34 euro. Het verschil: dienstencheques werden als experiment al onder vorige regering gelanceerd. Enkel in Vlaanderen succes (hier kon het zodra weken van vier uur werden gepresteerd in interimjobs). De uitzendkantoren speelden daar ten volle op in. In Wallonië en Brussel wordt neergekeken op zo’n MacDonald-jobs (daar kon het enkel voor jobs van onbepaalde duur, die minstens halftijds moesten zijn, en liefst via publieke of semi-publieke organisaties zoals OCMW’s, diensten voor familiale hulp, bedrijfjes actief in de gesubsidieerde sociale economie.
Reacties
Terug naar de artikelenlijst.