Het wraaksein is gegeven

Gent, zijn flikken, zijn grappig accent, zijn SMAK, zijn Gravensteen. Een kleine tienduizend handtekeningen heeft het Gravensteenmanifest nu - een politiek signaal van betekenis. Binnenkort kan men er het Kuipke mee vullen, en zullen de vlammende redevoeringen zeker met het zingen van de Vlaamse Leeuw worden afgesloten.
De laatste keer dat ik deze hymne hoorde, was op de VVB-nieuwjaarsreceptie in Gent, toevallig op een boogscheut van het Gravensteen. Een paar honderd genodigden zong daar uit volle borst twee strofen. En tot mijn verbazing muzikaal nog juist ook, want de melodie bevat een paar valstrikken en kwakkelt tussen kleine- en grote tertstoonladder. De 19de-eeuwse tekst van de Hippoliet Van Peene is minder subtiel. De bloeddorstigheid escaleert, tot op het karikaturale af. Gaat het in het begin nog over de tanden van het dier in kwestie, in de laatste strofe waant men zich eerder in een met ketchup overgoten horrorfilm: Het wraaksein is gegeven, hij is hun tergen moe; Met vuur in 't oog, met woede springt hij den vijand toe. Hij scheurt, vernielt, verplettert, bedekt met bloed en slijk En zegepralend grijnst hij op 's vijands trillend lijk.
Enfin, een lichte gêne overviel me tijdens dat gezang, ook al stond bovenstaande strofe niet op het menu. Mogelijk ligt het eraan dat ik als prille vijftiger een jongere onder het gezelschap was. Of misschien omdat ik, als zoon van een Oostfronter en vanaf mijn zesde in het VNJ gedropt, mijn portie strijdliederen wel heb gehad.
Algemeen echter denk ik dat de Vlamingen dringend van hun vaandelgevoel moeten afgeraken, anders krijgt de diepbetreurde bard Jacques Brel toch nog gelijk. Het kritische burgerschap, dat de grondtoon zou moeten zijn van een autonomistisch streven in de richting van een open, modern republicanisme, is nog ver weg. In dat emancipatieproces is het juist van belang dat mensen het grondig oneens zijn en dat het publiek debat op het scherp van de snee wordt gevoerd. Dat is een uitgesproken polemische visie, die evenwel berust op individuele mondigheid en een dialectische politieke cultuur, niet op het achternalopen van een vlag en het ‘zegepralend grijnzen op ’s vijands trillend lijk’.
Vlaanderen heeft traditioneel een sterk verenigingsleven. De kerk is daar decennia lang de drijvende kracht van geweest, als parochiale strategie tegen het vrijzinnig liberalisme en het goddeloze socialisme. In het 21ste-eeuwse internettijdperk echter, is de groep al even fictief als het territorium en de vergeldingsretoriek. De democratie wordt gemaakt door dissidente individuen die komen en gaan, politieke zwervers die de consensus doorbreken. Menselijk is dat niet altijd evident, want vrienden maak je er zelden mee, netwerken worden er niet mee gesmeed.
Het preken van vrede en het verbloemen van tegenstellingen berust meestal op verborgen agenda’s en op demagogische strategie. En die polen zíjn er, binnen de Vlaamse Beweging, gelukkig maar, want zo zit de democratie in elkaar. Er is vooreerst de tegenstelling tussen het rechts-conservatieve verhaal en dat van de linkerzijde, dat zijn stem kreeg in het Gravensteenmanifest. Beiden zijn nodig. Zonder activering van progressief-links, is het Vlaamse ontvoogdingsstreven een dode mus. Er is anderzijds ook de discussie tussen radicaal autonomisme, en gematigd reformisme dat nog gelooft in een zinnige staatshervorming. Deze laatste tendens is bekend geworden als de “optie-Vermeersch”: via het territorialiteitsprincipe een ondubbelzinnige afbakening van grenzen en bevoegdheden vastleggen, wat een communautaire vrede zou opleveren en de Belgische constructie zou kunnen redden.
Binnen dit menu moet ieder zijn positie bepalen, net om te beletten dat partijen, groepen en lobby’s het maatschappelijk debat monopoliseren. Persoonlijk vind ik dat territorialiteitsprincipe nonsens, zeker in de Belgische context. In 1986 al stelde het Arbitragehof dat dit beginsel het fundament is van de Belgische staatsinrichting. Tegelijk hollen de Franstaligen dat principe permanent uit, door referenda te eisen in gebieden waar ze als inwijkelingen de meerderheid hebben, en door het alleen in te roepen als het hen goed uitkomt. Desnoods roepen ze er Europa of de VN bij, om zich als gediscrimineerde minderheid een slachtofferrol aan te meten. Dit spel is al sinds het vastleggen van de taalgrens aan de gang, waarbij de Vlamingen steeds weer inleverden.
Het territorialiteitsprincipe dient dus vervangen te worden door het soevereiniteitsbeginsel. Dat is het verschil tussen defensieve underdog-attitude en zelfbewust emancipatiedenken. Al in de 14de eeuw was de Gentenaar Jacob Van Artevelde meer bezig met de kwaliteit van de stedelijke democratie, politieke structuren en economische politiek, dan met het territorium op zich. Goed wetende dat territorialiteit (eenheid van bestuur binnen een regio) het gevolg is van soevereiniteit, en niet de oorzaak.
Maar dit soort discussies veronderstelt natuurlijk een brede debatcultuur en een doorsponnen opinievorming, eerder dan loopgravenoorlogen en egelstellingen. Manifesten zijn goed, echte polemiek is nog veel beter. Welk soort Vlaanderen willen u en ik in het post-Belgische tijdperk? Dit om maar te zeggen dat het Belfort en de Lakenhalle mij sympathieker ogen dan het Gravensteen. Puur toeristisch natuurlijk. Hoewel.
Johan Sanctorum is cultuurfilosoof en columnist www.visionair-belgie.be
Reacties
Terug naar de artikelenlijst.