Engels in volle opmars. Vlaanderen springt slordig om met taal

Wij Vlamingen zijn een trots volk, dat is me vorige zomer nog eens opgevallen tijdens een fietstocht naar Assisi. In alle de zeven landen die ik met mijn twee gezellen heb doorkruist, werden we onderweg uitbundig begroet door fietsers, wandelaars en andere passanten. De Bonjours, de Grüss Gotts, de Buon Giorno’s en de Salves waren nooit uit de lucht. Verwacht hetzelfde niet in Vlaanderen. Als je een groep wielertoeristen kruist, de lippen grimmig opeengeklemd en de blik op oneindig gericht, dan mag je je gelukkig prijzen dat er nog een stukje van de weg voor je overblijft, de meeste andere mensen die je ontmoet kijken verbaasd, soms gegeneerd en vaak zelfs ietwat verontrust als je hen vriendelijk begroet. Een trots volk, dat zijn we inderdaad.
Waar we niet zo trots moeten op zijn, is de taal die we spreken. Ik ken persoonlijk weinig landen waar zo slordig en zorgeloos wordt omgesprongen met de taal als Vlaanderen. Als het gevleugelde woord de taal is gans het volk correct is, dan moeten we ons echt zorgen beginnen te maken. Ik vraag me bijna dagelijks af waarom we niet eerst onze eigen taal behoorlijk leren spreken, eer we ons aan voeten gebonden overleveren aan het Engels. Kerstmis is bij ons uit de mode geraakt en al lang vervangen door Christmas, omdat het zoveel meer zegt, één van de belangrijkste vernieuwingen van radio Donna bestaat erin dat de slagzin the fun, the hits vervangen is door love it, feel it (of iets in die aard) en bij een van de vorige edities van Eurosong was het pijnlijk om juryleden in een Brabants getint Nederlands te horen klagen over het belabberde Engels van de kandidaten.
Veertig of vijftig jaar geleden hebben we met zijn allen hard gevochten voor de vernederlandsing van het bedrijfsleven, en we hebben de strijd gewonnen. Het Frans is verdwenen, maar het Engels is in volle opmars. Vandaag de dag lijken weinigen zich zorgen te maken over de verengelsing, niet alleen van het bedrijfsleven, maar ook van het onderwijs en uiteindelijk van de hele maatschappij. Een personeelsdienst is steevast een human resources management geworden, een bedrijf dat geen chief executive officer heeft is niet vol, en in het onderwijs worden we met masters en bachelors om de oren geslagen. Toen in de jaren dertig de universiteit van Gent vernederlandst moest worden, was het grote argument van de tegenstanders dat het Nederlands nu eenmaal geen taal was voor wetenschappelijk onderzoek, alsof er nooit een Simon Stevin was geweest, die vier eeuwen geleden met glans het tegendeel had bewezen. Het tij is weer gekeerd, de Vlamingen lijken er zich bij te hebben neergelegd dat het Nederlands eigenlijk geen taal is om een bedrijf behoorlijk te leiden, of moet ik runnen zeggen.
Het Nederlands dat we hanteren wordt ook van binnenuit aangetast, door de dialecten, althans door wat voor dialecten moet doorgaan. Niemand twijfelt eraan dat de kennis van het dialect erg nuttig kan zijn, wie het dialect beheerst weet dat we niet moeten zeggen ik heet zus en zo en niet ik noem zus en zo. Het probleem is dat van het dialect alleen de soms verschrikkelijke klanken zijn overgebleven. Het gevolg is een armoedig tussentaaltje, dat door velen voor mij is verketterd. In de provincie Oost-Vlaanderen krijg ik vaak genoeg de kans om via de gewestelijke televisiezender de taal van kinderen uit Zeeuws-Vlaanderen te vergelijken met die van hun leeftijdgenoten van bij ons (en rampzalig genoeg ook met die van onze journalisten). Ik kan mij mateloos ergeren aan een conversatie als :
- was het leuk?
- Ja, het was leuk. - En waarom was het leuk?En dan vraag ik je, wat moet je daar in ’s hemelsnaam als tienjarige op antwoorden.
Een ander voorbeeld van de taalverloedering wordt dagelijks door de openbare omroep geëtaleerd. Twintig jaar geleden, toen de reclame op de radio werd ingevoerd, werd er van de kant van de toenmalige BRT uit scherp op toegezien dat de boodschappen in een vlekkeloos Nederlands waren geformuleerd. Ik herinner me nog de dagenlange discussies over de vraag of het woord mazout in plaats van stookolie mocht worden gebruikt, omdat het on-Nederlandse woord nu eenmaal voorkwam in de naam van het bedrijf. Tegenwoordig wordt vaak in de reclameboodschappen een mengdialect gehanteerd, dat ze compleet onverstaanbaar maakt. Over het gebruik van de tussentaal in soaps en praatprogramma’s van alle slag hebben anderen voor mij al meer dan genoeg gezegd.
En nochtans is er een tijd geweest dat het Vlaams/Nederlands zijn plaats had naast de andere Europese talen. Dat de grote Franse humanist Rabelais vertrouwd was met het Nederlands blijkt uit het negende hoofdstuk van zijn Pantagruel, waar de held kennismaakt met de wereldwijze student Panurge. Op de vraag van Pantagruel waar Panurge vandaan komt, wat hij zoekt en waar hij naar toe gaat antwoordt Panurge hem in enkele vreemde talen, waaronder het Nederlands :
Heere, ik en spreeke anders geen tael dan kersten taele, my dunkt noghtans, al en seg ik u niet een wordt, mynen noot verklaert genoegh wat ik begeere, geeft my uyt bermhertigheyt yets, waar van ik gevoet magh zyn.
In het begin van de achttiende eeuw werd er nog van een Engelse gentleman verwacht dat hij een mondvol Nederlands sprak. Zover zal het niet meer komen, het mag ons niet beletten al ons Latijn in ons Nederlands te stoppen, om het met de woorden van Jan Wauters te zeggen.
Reacties
Terug naar de artikelenlijst.