Voorpagina Wat is Doorbraak? Doorbraak artikelen Kort actueel Tussendoor e-zine Dossiers Abonneren Gratis 3 maanden Colofon Contact

Zoeken:

Getouwtrek om de verdrijving van de Duitsers

02-12-2003 / Dirk Rochtus

Het Tsjechië van de 19de eeuw leek verbluffend veel op het “Belgique de papa”: twee taalgemeenschappen, de Duitse en de Tsjechische, die sedert eeuwen naast elkaar leefden; een Tsjechische beweging die voor gelijkberechtiging van het Tsjechisch met het Duits streed; een Duitstalige burgerij die zich in naam van de beschaving verzette tegen het ontluikende Tsjechische nationalisme. Maar anders dan in België is het antagonisme tussen beide groepen in Tsjechië in bloed en tranen geëindigd.

De plannen van een Karl Renner (1870-1950), een latere kanselier en president van de republiek Oostenrijk, voor culturele autonomie in Tsjechië, dat tot 1918 deel uitmaakte van de veelvolkerenstaat Oostenrijk-Hongarije, en voor het “territorialiteits-” en het “personaliteitsbeginsel” vonden geen ingang. In 1945 besloot de Tsjechische president Edvard Benes de drie miljoen Sudetenduitsers te onteigenen en uit het land te verdrijven. De voorafgaande nazi-bezetting had de haat van de Tsjechen op de spits gedreven tegenover alles wat Duits was.

Verdrijving

Dat alles is geschiedenis. Maar het is geen geschiedenis die voorbij en vergeten is. De jongste twee jaar wordt er in Duitsland weer gesproken over de “Vertreibung”, de verdrijving van vijftien miljoen Duitsers uit Oost-Pruisen, Pommeren, Silezië – Duitse provincies die door de geallieerden aan Polen werden toegekend – en uit het Sudetenland dat deel uitmaakt van Tsjechië.

Een roman van de linkse auteur en winnaar van de Nobelprijs voor literatuur Günter Grass, zelf afkomstig uit Danzig (thans Gdansk), over het tragische lot van Duitse bootvluchtelingen in de winter van 1945 had het taboe doorbroken. Kosovo, waar in 1999 etnische Albanezen het op een lopen zetten voor vervolging, had de gevoeligheid voor de vluchtelingenproblematiek, ook in Duitsland, aangescherpt.

De Duitse Bund der Vertriebenen (BdV), de koepelorganisatie van de verdreven Duitsers en hun nakomelingen, kon uit die groeiende belangstelling voor het lijden van de Duitse bevolking tijdens de oorlog garen spinnen. Het recentste project van de BdV onder leiding van Erika Steinbach, lid van de Duitse Bondsdag voor de CDU (Duitse christen-democraten), is de oprichting van een “Zentrum gegen Vertreibungen” in Berlijn. De bedoeling ervan is het leed van de verdreven Duitsers te documenteren, maar ook van andere volken die het slachtoffer werden van verdrijving. Zoals de naam het zegt, gaat het om “Vertreibungen” in het meervoud.

Kwaad

Het plan van de BdV om een dergelijk centrum als Duits initiatief op te richten, en dan nog wel in Berlijn, de hoofdstad van de Bondsrepubliek Duitsland (maar ook van het in rook en as opgegane Derde Rijk), zet kwaad bloed bij Polen en Tsjechen. Tot 1990, het jaar van de Duitse eenmaking, heeft Polen in onzekerheid geleefd of Duitsland de Oder-Neiße-Linie (de twee rivieren die sinds 1945 de Duits-Poolse grens vormen) zou erkennen.

De Tsjechen zelf krijgen ook vandaag de dag nog bakken kritiek vanuit Duitse en Oostenrijkse hoek over zich heen omdat de Benes-decreten nog altijd geldend Tsjechisch recht zijn. Wat Polen en Tsjechië niet pikken, is dat Duitsers het wagen om over hun eigen leed tijdens en vlak na de oorlog te spreken. Het officiële standpunt van die twee landen die zelf erg te lijden hadden onder de nazi’s, - Polen nog meer dan Tsjechië (het toenmalige protectoraat “Bohemen-Moravië”) -, luidt dat de verdrijving van de Duitsers het gevolg is van Hitlers misdadige politiek.

Vooral vrezen Polen en Tsjechië dat oorzaak en gevolg van elkaar worden losgekoppeld en dat de Duitsers zichzelf teveel als slachtoffer gaan beschouwen, zonder nog voldoende oog te hebben voor het leed dat de nationaal-socialisten toegebracht hebben aan het Poolse en het Tsjechische volk. De gemoederen zijn sinds afgelopen zomer hoog opgelaaid in Polen en Tsjechië. Een veelgelezen Pools tijdschrift beeldde Erika Steinbach, de presidente van de BdV, zelfs in SS-uniform af op de omslag.

Breslau

Ook aan Duitse kant stuit het plan voor de oprichting van een “Zentrum gegen Vertreibungen” op kritiek. De rood-groene regering van kanselier Schröder sluit zich bij het Poolse voorstel aan om een dergelijk centrum, als het er toch van zou komen, te vestigen in Wroclaw, het vroegere Breslau. Deze stad, de belangrijkste van Silezië, zou symbool staan voor de verdrijving, niet alleen van de Duitsers, maar ook van de Polen zelf. In 1945 slokte de Sovjetunie het oostelijke gedeelte van Polen op. Polen werd daarvoor gecompenseerd met het Duitse grondgebied ten oosten van de Oder en de Neiße. De Oost-Polen moesten verhuizen. Degenen die zich in Breslau (Wroclaw) neerlieten, zijn afkomstig van Lvov (Lemberg) (thans in de Oekraïne).

In oktober legden de Poolse president Kwasniewski en zijn Duitse ambtsgenoot Rau de “Verklaring van Danzig” af waarin zij begrip opbrachten voor de thematiek van de verdrijving en pleitten voor een Europese benadering ervan. De Tsjechische president Vaclav Klaus daarentegen beschouwt het hoofdstuk “verdrijving” als afgesloten.

Het “Zentrum gegen Vetreibungen” is de inzet van politiek getouwtrek geworden. Dat gaat voorbij aan de essentie, namelijk: ‘Elke verdrijving is een misdaad tegen de mensenrechten’ om het met de woorden te zeggen van Peter Glotz, voormalig kopstuk van de Duitse sociaal-democraten (SPD) en thans medebezieler van het centrum. Hij weet waarover hij het heeft: als zesjarige jongen moest hij Eger (Cheb) in het Sudetenland verlaten. Zijn boek over “Die Vertreibung” (Ullstein Verlag) draagt dan ook de passende ondertitel: “Böhmen als Lehrstück”.

Reacties

Reageer op dit artikel

Terug naar de artikelenlijst.