Werkgelegenheidsconferentie slaat verkeerde weg in
De werkgelegenheidsconferentie heeft geen potten gebroken. De harde kern bestaat uit een pakketje van lastenverlagingen, hoogst welkom, maar “too little, too late”. De conferentie zorgde wel voor een doorbraak in ons “federale” model: schaamteloos worden regionale verschillen onder de mat geveegd om de averechtse weg in te slaan van (nog) meer federale eenheidsworst voor de twee landen die dit koninkrijk rijk is.
Het hele initiatief van de federale werkgelegenheidsconferentie baadde van meet af aan in een sfeer van federale recuperatie. De federale regering nam meteen de leiding, ook al betrof het materies waarvoor vooral gewesten en gemeenschappen bevoegd zijn, zoals arbeidsbemiddeling, opleiding en vorming. De gewesten en gemeenschappen konden hoogstens wat “adviseren” achter de schermen, maar werden zoveel mogelijk uit beeld gehouden. Het overleg met vakbonden en werkgeversorganisatie was een puur federaal onderonsje, waar regionale partners niet werden gedoogd.
De uitkomst van de werkgelegenheidsconferentie is er ook naar. Het gros van het budget gaat naar lastenverlaging, alsnog een onbetwiste federale materie. Inzake vorming en opleiding kwam de conferentie niet verder dan wat vage intenties, zonder concrete maatregelen. Alsnog is een federale regering niet bij machte al te flagrant de grondwettelijke bevoegdheidsverdeling naast zich neer te leggen, en moet ze dus het terrein van vorming en opleiding aan de deelgebieden laten. Maar het feit dat ze zich toch geroepen voelt om terzake bakens uit te zetten, is reeds een aanfluiting van de hoeksteen van de Belgische staatshervorming, namelijk het ontbreken van enige hiërarchische voogdij van het federale niveau op de deelstaten.
Dienstencheques en Rosetta-plan
Maar de federale recuperatie gaat verder. Op gedeelde bevoegdheidsterreinen trekt de federale overheid het laken naar zich toe. Neem vooreerst de dienstencheques: cheques waarmee particulieren zich tegen een (fiscaal) gunsttarief huishoudelijke hulp kunnen verschaffen, waarbij de dienstverleners volledig in orde zijn voor hun sociale zekerheid. Tot dusver hadden federale en regionale overheid hierbij een taakverdeling: ze betaalden elk de helft, en de gewesten stonden in voor de erkenning van de dienstverleners die in het systeem mogen meedraaien. Op de werkgelegenheidsconferentie werd beslist – met goedkeuring van de gewesten! – dat de federale overheid voortaan alles zou betalen én ook de zaak volledig zelf zou regelen.
Ander staaltje van federale restauratie is de aanpassing van het jongerenbanenplan, beter gekend als het Rosetta-banenplan. De onder vorige regering moeizaam verkregen regionale differentiatie in de toepassing van dit plan wordt teruggeschroefd. Voortaan komt er slechts één enkele doelgroep (-25 jaar) voor het plan in aanmerking.
Het rapport van Smets
Zijn dan plots alle regionale verschillen verdwenen in de “modelstaat België”? Allerminst. Alle deelnemers aan de werkgelegenheidsconferentie kregen de regionale verschillen inzake werkgelegenheid, vorming en opleiding bij start nog eens flink ingepeperd door Jan Smets, directeur van de Nationale Bank van België. ‘Nergens anders zijn de regionale verschrillen zo groot in de EU, uitgezonderd Italië’, aldus Smets.
Even een kleine bloemlezing.
Werkgelegenheidsgraad (2002)
Vlaanderen 63,1%
Wallonië 55,6% Brussel 52,0%Werkgelegenheidsgraad 15-24 jaar
Vlaanderen 33,3%
Wallonië 22,4% Brussel 21%Werkloosheidsgraad (2001)
Vlaanderen 3,8%
Wallonië 10,6% Brussel 11%Onderwijs en vorming
Blijkens de jongste Oeso-enquête omtrent taal- en rekenvaardigheden bij 15-jarigen, haalt Vlaanderen de op één na beste score in de EU, na Finland. De Franse Gemeenschap bengelt aan de staart, in het gezelschap van Portugal en Griekenland.
Het aandeel van de leerlingen die op schema zitten in het laatste jaar middelbaar bedraagt voor het algemeen secundair obderwijs in Vlaanderen 83% tegenover 70% in Wallonië. Voor het beroepsonderwijs zijn de cijfers respectievelijk 43% en 17%.
Het rapport van Jan Smets legt tevens pijnlijk bloot hoe die regionale verschillen zich doorzetten in het regionaal werkgelegenheidsbeleid. Wallonië scoort slechter dan Vlaanderen inzake bijscholing van volwassenen. Idem voor wat de begeleiding van werkzoekenden betreft. Terwijl in Vlaanderen twee op drie volwassen werkzoekenden binnen het jaar een begeleidingspakket aangeboden kregen, is dit slechts één op drie in Wallonië. Nochtans ligt de langdurige werkloosheid er drie keer zo hoog.
Regionalisering enige oplossing
Deze enorme, en hardnekkige regionale verschillen gaan aanpakken met nog meer federale eenheidsoplossingen is een dood spoor. Deze federale aanpak komt er in feite op neer Wallonië nog minder te prikkelen om zelf in zijn toekomst te investeren. Dienstencheques organiseren om langdurig werklozen aan de slag te helpen? Vlaanderen speelde daar volop op in, Wallonië niet. Geen nood, de federale petemoe zal het nu wel voor Wallonië betalen. Zo zal de federale overheid ook nog maar eens investeren in een jongerenbanenplan op maat van Wallonië, en aldus mee betalen voor het falende Franstalig onderwijs.
De enige methode om echt beweging te krijgen in de Waalse achterstand op Vlaanderen, bestaat in het aanscherpen van de regionale verantwoordelijkheid. Zo dringt de Vlaamse regering er terecht op aan om gewesten en gemeenschappen die goed presteren inzake opleiding en begeleiding van werkzoekenden naar een job, hen daarvoor te belonen met een bonus. Nog beter is het om de werkloosheidsuitkeringen minstens gedeeltelijk te regionaliseren. En laat de deelstaten elk hun eigen banenplannen ontwikkelen, in functie van eigen specifieke behoeften.
Reacties
Terug naar de artikelenlijst.