Krijgt Warande-Manifest een politiek draagvlak?

In het januari- nummer van Doorbraak vroeg de redactie om een debat over het in december verschenen Manifest voor een zelfstandig Vlaanderen in Europa van de “Denkgroep In de Warande”. Een terechte vraag. Het lijvige document is een interessant leesstuk. Het is bruikbaar als informatiebron en naslagwerk en bakent denkpistes af. Maar het roept ook vragen op.
De groep telt zestien leden; daarnaast onderschreven vijftig personen de besluiten van het manifest en de beginselen waarop zij steunen. Er zijn bekende namen bij de ondertekenaars. Andere prominenten, van wie mocht worden verwacht dat zij zouden meewerken, ontbreken. Er is wel Lode Campo, maar niet Piet Van Wayenberge, wel Eric Ponette, maar niet Boudewijn Bouckaert. Afwezig zijn ook – het is een lukrake greep – een Vaast Leysen, een Robert Senelle, een Guido van Gheluwe. Weigerden zij mee te doen of werden zij niet uitgenodigd? Er is geen enkele vrouw in het gezelschap, en dat is een minpunt voor het representatieve van de groep.De kwaliteit en de integriteit van Remi Vermeiren, animator van de groep, staan borg voor de betrouwbaarheid van het overvloedige cijfermateriaal dat het betoog schraagt. De benadering is overwegend sociaal-economisch. De inbreng komt vooral van ondernemers en zakenlui. De vraag die zich bij voorrang opdringt, is dus: wat is de politieke impact van dit initiatief? De groep schreef geen provocerend pamflet. De uiteenzetting is sereen. Niets zou een politieke dialoog in de weg mogen staan. Komt hij er?
Het manifest is geen unicum in zijn soort. Het is de jongste publicatie in een lange rij. De voorbije halve eeuw hebben heel wat verenigingen en denktanks communautaire studies geproduceerd. In de jaren zestig schreven Leuvense hoogleraren doordachte nota's over de knel- en pijnpunten in de Vlaams-Waalse betrekkingen. In oktober 1979 maakte Jaak Stoldt, hoofd van de studiedienst van de Kredietbank, onder bescherming van Luc Wauters, de toenmalige KB-voorzitter, een strikt vertrouwelijke en merkwaardige kosten-batenanalyse van een eventuele economische autonomie van Vlaanderen.
Het besluit was glashelder en blijft actueel: ‘Een splitsing brengt een zeker handels- en welvaartsverlies mee voor Vlaanderen, dat evenwel zeer waarschijnlijk kleiner blijft dan de huidige budgettaire transferten naar Wallonië. Maar de grote winst ligt in het einde van de onregeerbaarheid en het beleidsvacuüm dat momenteel Vlaanderen overlevert aan feitelijke uitbuiting, aan sluipende verstaatsing en aan internationaal wantrouwen. Bovendien is het wellicht de enige manier om Wallonië op te tillen vanuit het profitariaat naar de status van een gelijkwaardige en hopelijk welvarende natie.’
Tien jaar later, in juli 1989, verscheen een driehonderd bladzijden tellende studie, Vlaanderen op een kruispunt, samengesteld door een zestal eminente sociologen, economen en juristen. Zij bevatte een schat aan gegevens en bevruchtte het communautaire denkwerk. Er waren voorts de staatsbehoudende overwegingen van de Coudenberg-groep. Na de grondwetsherziening van 1993 die, volgens de toenmalige premier Jean-Luc Dehaene, ‘het dak op het federale huis zette’, is het denkwerk niet stilgevallen. René de Feyter startte met zijn “Denkgroep In de Warande”, die in 2003 door Remi Vermeiren in een stroomversnelling werd gestuwd. Ook aan Waalse zijde werden diverse studiegroepen bedrijvig, wat resulteerde in opmerkelijke analyses, diagnoses en remedies.
Politieke erosie
Tegenover deze groeiende, kritische bevraging van de Belgische structuren en de Vlaams-Waalse verhoudingen, vooral merkbaar in economische en academische milieus, geeft het partijpolitieke milieu de jongste jaren blijk van een benauwende lijdzaamheicr-Fólihcipolenllseren wel methelkaar , liefst in oppervlakkige en vrijblijvende' mediaonderonsjes, maar schuwen het debat ten gronde.
De ingrijpende veranderingen aan de taalwetgeving en de opeenvolgende staatshervorrningen kwamen tot stand, in een tijdspanne van ongeveer drie decennia, via aftastende en naar consensus strevende gesprekken in politieke cenakels en in het parlement. Zij werden mede geïnspireerd en gedragen door sociaal-culturele drukkingsgroepen en konden rekenen op de medewerking van de opiniepers. Er heerste een gestadige uitwisseling van gedachten en voorstellen, een discreet strategisch overleg dat periodiek uitmondde in tactische afspraken, parlementaire manoeuvres en wetgevende realisaties.
Halfweg de jaren negentig is dat kader ingestort. Het politieke landschap veranderde van uitzicht. Het parlement bleef niet langer het vitale halfrond waar de wetgever het regeringsbeleid inspireert, oriënteert en controleert. Het parlementaire regime lijdt vandaag aan een onrustwekkende erosie en zwaar prestigeverlies. Nooit waren de bijeenkomsten van de assemblees zo saai en steriel. Nooit waren er zoveel overtollige en ondermaatse ministers en volksvertegenwoordigers. Nooit was het politieke personeel zo blootgesteld aan afkeer en wantrouwen. De reële macht in de staat berust bij buitenparlementaire financiële belangengroepen, waarop de overheid geen greep heeft. De overname van grote bedrijfstakken, ondernemingen en banken door Frans kapitaal is slechts één symptoom van deze aftakeling.
De invloed van de schrijvende pers is eveneens fataal verzwakt. Het politieke milieu houdt enkel nog rekening met de audiovisuele media en laat zich manipuleren door de tv-kingmakers. De Vlaamse krantenredacties hebben, conform de strategie van de mediabazen, de intellectuele en politieke scherpte van de opiniëring afgezwakt en de standpunten inzake de Vlaamse problematiek herzien. In hun visie op de communautaire kwesties hebben zij gekozen ’voor meer België en minder Vlaanderen’. Dat de Persgroep en de Vlaamse Uitgeversmaatschappij (VUM) commerciële partners en economische belangen hebben in het Franstalige landsgedeelte, kleurt af op hun beleid. VUM -topman Thomas Leysen heeft zich openlijk uitgesproken tegen de splitsingsgedachte van de Warande-groep. (Trends, 22 dec. 2005).
De media bewaren niet langer een heilzame afstandelijkheid tegenover het establishment; zij koesteren vertrouwelijke en lonende betrekkingen met de machthebbers.
Vlaamse zelfverminking
Ook de Vlaamse Beweging heeft de schokgolven van de veranderingen gevoeld. De culturele drukkingsgroepen die vroeger vanuit hun studiediensten en op hun congressen de Beweging steunden, zijn stilgevallen. Op partijpolitiek vlak is de kracht van de Vlaamse vertegenwoordiging eveneens afgenomen. Toen de Volksunie destijds opkwam voor een onafhankelijk Vlaanderen, werd zij desalniettemin door de staatsgetrouwe partijen betrokken bij het regeringswerk.
De Vlaams-nationalisten kregen, zoals de autonomisten van het Rassemblement Wallon en de Brusselse racisten van het FDF, inspraak in Belgische regeringen. Vandaag wordt het secessionistische Vlaams Belang in quarantaine afgezonderd. Het cordon sanitaire dat een kwart van het kiezerscorps buiten spel zet, verminkt de V1aamse volksvertegenwoordiging en belet het Vlaams Parlement op het Belgische beslissingsniveau de dominantie van de Waalse linkerzijde te counteren.
De Vlaamse christendemocratie staat federaal in de oppositie, levert de premier van de Vlaamse regering en hoopt na de volgende algemene verkiezingen opnieuw aan het Belgische roer te staan. Dat dwingt tot compromissen en evenwichtsoefeningen, die een duidelijke profilering en een ondubbelzinnig engagement bemoeilijken. De nationalisten van de N-VA zijn gebonden aan die onzekere christendemocratie. De ex-nationalisten van Spirit zijn verkocht aan de sp.a die de Waalse verwanten niet loslaat. De Groenen zijn en blijven unionistisch. De liberalen reflecteren traditiegetrouw belgicistisch. De Vlaamse geldbourgeoisie van haar kant is niet opgewassen tegen de Belgische machtselite met haar adellijke en internationale netwerk. Terwijl het francofone establishment met een langetermijnvisie over zijn belangen waakt en met toenemende arrogantie financiële en politieke krachten mobiliseert, ligt Vlaanderen verlamd in politieke verdeeldheid en stuurloosheid.
Remi Vermeiren heeft verklaard ‘geen politieke demarches te willen doen met het oog op de realisatie van de besluiten van de sociaal-economische analyse’. Hij informeert buitenlandse ambassadeurs en Brusselse perscorrespondenten, maar vermijdt de Wetstraat. Hij rekent er blijkbaar op dat de Vlaamse politici zelf parlementaire initiatieven nemen op basis van het Manifest. Maar welke politici en welke partijen zullen dat doen? En beschikken die dan over een voldoende sterk draagvlak?Reacties
Terug naar de artikelenlijst.