Voorpagina Wat is Doorbraak? Doorbraak artikelen Kort actueel Tussendoor e-zine Dossiers Abonneren Gratis 3 maanden Colofon Contact

Zoeken:

Europeanisering noch globalisering zijn rem op zelfstandigheidsdrang

24-02-2003 / Prof. dr. Jörg Roesler (Berlijn)

Het streven naar zelfstandigheid van etnische groepen die met een “hoofdvolk” onder één dak leven is ook in het tijdperk van de globalisering niet uitgedoofd. In de hele wereld zijn er 120 nationaliteiten die daarvoor opkomen en in een conflict verwikkeld zijn met hun staatsregering of de “staatsdragende natie”. Volgens de Arbeitsgemeinschaft Kriegsursachenforschung in Hamburg werden er 31 oorlogen gevoerd in het jaar 2000, waarvan er veertien meer autonomie of afscheiding beoogden.

Die statistiek betreft niet enkel staten van de Derde Wereld, waarvan de koloniale machten enkele decennia geleden de grenzen met een liniaal trokken. Zelfs in Europa was het proces van statenvorming in de 20ste eeuw nog niet afgesloten. In 1900 telde ons continent 24 en in 2000 al 38 staten. De nieuwe ontstonden door secessie of uiteenspatten van grotere staten. “Scheiding”, niet vereniging, was de slogan in Europa. De aansluiting van de DDR bij West-Duitsland in 1990 ging in feite tegen de heersende trend in.

Wie zich afvraagt waar die vele nieuwe staten ontstonden, denkt eerst aan de Sovjet-unie waaruit na 1990 acht staten ontstonden, of aan Joegoslavië dat uiteenviel in vijf volkenrechtelijke subjecten. Bovendien wordt het toebehoren van Tsjetsjenië tot Rusland of van Kosovo tot Servië nog altijd niet door de plaatselijke bevolking aanvaard.

Minder bekend is dat er bij het begin van de 20ste eeuw in het noorden van Europa slechts twee onafhankelijke staten waren: Denemarken en Zweden. Daarna kwamen er nog drie bij tengevolge van de afscheiding van hun respectievelijke “staatsnatie”.

Redenen

Onder de redenen die in het Europa van de 20ste eeuw werden aangehaald door de minderheden om zich af te scheiden, kwam de eis tot herstel wegens geleden onrecht vaak voor. Hun land zou tegen het volkenrecht in onder dwang aangehecht zijn aan het hoofdland. Dit argument speelden in 1989/91 vooral de drie Baltische staten Estland, Litouwen en Letland uit om de “afscheiding” van de Sovjetunie te bewerkstelligen.

Een tweede motief dat je vaak tegenkomt bij minderheden was het bewaren van de eigen cultuur en taal. De “Gesamtstaat” waarvan ze deel uitmaakten, zou dat niet kunnen garanderen. Dit verwijt aan het adres van de grotere staat en deze aanspraak op eigenheid werden en worden door de Basken naar voren gebracht in hun streven, tegen Spanje en Frankrijk in, naar een eigen staat binnen de Europese Unie.

Een derde motief voor secessie vormt de economische toestand in tweevoudig opzicht. Mocht de naar afscheiding strevende regio in vergelijking met het land als geheel een economisch niveau boven de doorsnee hebben of wereldwijd begeerde minerale grondstoffen bezitten, zou de scheiding een einde stellen aan de uitbuiting door de “staatsnatie”.

Het succes van de Scottish Nationalist Party na 1974 was nauw verbonden met de ontdekking van aardoliereserves voor de Schotse Noordzeekust. Slovenië geloofde als meest ontwikkelde van de Joegoslavische deelstaten niet helemaal ten onrechte dat het door Servië en andere “zuidelijke” republieken van de federatie werd uitgezogen. De nationalistische beweging van de Basken in Zuid-Frankrijk daarentegen vindt haar oorsprong in de verwaarlozing en de economische neergang van hun gebied. Economische motieven kunnen de lust om zich af te scheiden ook afremmen. Toen de bewoners van de tot Denemarken behorende Faeroer-eilanden vaststelden dat hun levensstandaard zonder de regelmatige financiële transfers vanuit Kopenhagen bedreigd was, daalde het aantal voorstanders onder hen van secessie van 75 tot 25 %.

Een vierde motief is de verdediging van het bestaansrecht van het eigen volk tegen een relatieve verdringing door de instroom van bewoners van het “hoofdvolk” in de regio, voorzover dit wordt gestimuleerd door de centrale staat. Dat afscheidingsmotief tref je in de 20ste eeuw echter zelden aan onder de Europese volken. Het verwijt dat een “tegen de minderheden gerichte politiek met demografische middelen” werd gevoerd, slingerden de Zuid-Tirolers opeenvolgende Italiaanse regeringen in het gezicht. Pas begin jaren 1970 kon met een “totaal pakket” voor “echte autonomie” en proportionaliteit in onderwijs en administratie het probleem worden ontscherpt.

Wanneer je die motieven van dichtbij bekijkt, dan weet je dat het streven van regio’s of minderheden in Europa naar een eigen staat in de 21ste eeuw niet vanzelf zal uitsterven. Europeanisering noch globalisering kunnen dat verhelpen. Wie meent het uiteenvallen van staten ten allen koste te moeten verhinderen, moet er ook voor zorgen dat alle volken zich thuis voelen onder het gemeenschappelijke staatsdak. Dat hebben de regeringen van sommige staatsnaties, niet alleen in Oost-, maar ook in Centraal- en West-Europa nog altijd niet voldoende erkend.

Prof dr. Jorg Roesler is docent economie aan de Universität der Künste in Berlijn en is als onderzoeker actief op het domein van de “Vereinigungsforschung”. (tekst vertaald en bewerkt door Dirk Rochtus)

Reacties

Reageer op dit artikel

Terug naar de artikelenlijst.