Voor paarsgroen is taalwet blijkbaar vodje papier
Terecht verontwaardigen burgers met een beetje fatsoen zich over de cynische wijze waarop de Vlaamse én “Hoofdstedelijke” minister Vanhengel (VLD) de eventuele afkeuring door de Raad van State van het taalhoffelijkheidsakkoord als een vodje papier afwimpelt.
Voor lezers die het niet zouden gevolgd hebben: in Brussel, waar dank zij het ondermaats onderwijs van het Nederlands in de Franstalige scholen de meeste werklozen alleen Frans kennen – en waar meer dan eenderde van de bevolking buitenlanders zijn – hebben gemeenten en OCMW’s een groot gebrek aan tweetalig personeel. Ze mogen immers geen eentaligen aanwerven, vermits ook contractuelen onder de taalwet vallen.
Uit “hoffelijkheid” jegens de Franstaligen aanvaardden in 1996 de Vlaamse meerderheidspartijen de wet te omzeilen en contractuelen twee jaar de tijd te gunnen om Nederlands te leren. Zoals te verwachten viel, liep dit faliekant uit: personeel dat zes jaar later nog steeds geen Nederlands kende, bleef gewoon in dienst en met één uitzondering (zie hierna), drong de Vlaamse meerderheid niet aan.
Nog tweemaal
Integendeel, zij sloot twee keer een nieuw taalhoffelijkheidsakkoord dat de toestand bestendigde en de voorwaarden nog versoepelde. Het Vlaams Komitee voor Brussel, het Verbond Vlaams Overheidspersoneel en de Vlaamse Volksbeweging hadden daartegen een klacht ingediend bij de Raad van State. De auditeur heeft onlangs geadviseerd dat het akkoord onwettig is. Wat de beruchte reactie uitlokte van Vanhengel op TV Brussel dat de taalwet dan maar moest worden gewijzigd. Justitieminister Verwilghen zegt overigens net hetzelfde, zij het iets subtieler. Men zou dit incident kunnen afdoen als een zoveelste bewijs van de onbetrouwbaarheid van de huidige VLD. Maar eigenlijk gaat de zaak veel dieper.
Probleem
In beginsel was een hoofdstedelijke bovenstructuur voor de Brusselse agglomeratie broodnoodzakelijk. De “Euroverbrusseling” had immers nooit zo een stedenbouwkundige en sociale verwoesting aangericht, indien in de jaren zestig een coördinatieorgaan had bestaan voor de negentien Brusselse gemeenten.
De oprichting in 1972 van de agglomeratieraad werd echter erfelijk belast door de truc met de (Vlaamse) “FDF”-schepenen, die de Vlaamse verkozenen ontmande. Maar die stunt was vrijwel zeker eenmalig. Het had volstaan na zes jaar nieuwe verkiezingen uit te schrijven om een bestuur te krijgen waarin de Vlamingen meer dan thans medezeggenschap zouden hebben gehad.
Spijtig genoeg gooide (na twaalf jaar talmen) de regering Martens VIII (met socialisten en VU) de agglomeratieraad met het badwater weg en richtte een Brussels Gewest op, grondwettelijk gelijk aan beide andere, maar waarin de Vlaamse verkozenen zich alleen maar tegen discriminatie konden verdedigen door politieke zelfmoord te plegen. Eén keer is dit gebeurd, toen VU-staatssecretaris Vic Anciaux op het einde van zijn loopbaan niet akkoord ging met de manier waarop het taalhoffelijkheidsakkoord toegepast werd en ontslag nam. De legislatuur werd gewoon uitgedaan zonder hem...
Toegegeven, geleidelijk aan kon de Vlaamse regering de Brusselse Vlamingen meer ruggensteun geven, ondermeer via een minister bevoegd voor Brusselse aangelegenheden, die zelf een Brusselaar was, zoals Hugo Weckx of Brigitte Grouwels (allebei CD&V). De achilleshiel van dit stelsel was dat het afhing van de goede wil van die Vlaamse regering, zoals duidelijk werd bij het aantreden van de regering Dewael die zelf samengesteld werd in functie van de huidige Waals-Belgische federale regering.
Bert Anciaux mag dan al in Brussel een huishouden van Jan Steen geleid hebben, hij gaf hier en daar toch nog de indruk de Vlaamse belangen te verdedigen. Met de komst van Vanhengel wordt zelfs de schijn niet meer opgehouden. De verklaringen in de pers van deze vertegenwoordiger van de Vlaamse regering in Brussel tonen aan dat hij niet de Vlaamse, maar de (Brussels)-Franstalige belangen dient.
Het is zonneklaar dat Verhofstadt zelf in deze zaak aan de touwtjes trekt van zijn gewezen persattaché, een gemeenteraadslid uit Evere, die hij aan de Brusselse VLD opgedrongen heeft om Annemie.Neyts uit haar Brusselse machtspositie te lichten, zelfs al verloor de VLD hierdoor een van haar twee zetels in het Brussels parlement.
België
Het benul van Vanhengel (en van Verwilghen) dat de taalwet in Brussel niet terzake is, steunt op de interpretatie van de federale regering die ze overgenomen heeft van de Franse Gemeenschap bij monde van haar advocaat Marc Uyttendaele, echtgenoot van vice-eersteminister Laurette Onckelinx (PS).
Deze stelling spreekt de rechtbank van eerste aanleg van Brussel tegen die (FDF-klacht tegen de omzendbrief-Peeters) oordeelt dat Gewesten niét het recht hebben om de taalwet naar hun zin om te buigen. Het lijdt geen twijfel dat de Vlamingen na uitputting van alle middelen die rechtspraak, hoe negatief ook voor hen, zullen volgen.
Zoals het incident-Vanhengel aantoont, vindt de huidige Waals-Belgische regering daarentegen dat de wetten maar moeten gewijzigd worden wanneer die tegen haar belang zijn. Daarbij gaat zij zover te stellen, dat de eigen federale taalwetgeving ongrondwettelijk is.
De taalwetgeving is het cement van de Belgische Staat. Door er zo achteloos mee om te springen, zet de regering Verhofstadt-Michel-di Rupo het Belgisch staatsverband zelf op losse schroeven.
Reacties
Terug naar de artikelenlijst.